Psychomedische Hulp 
Praktijk voor Psychomedische Hulp
Dr. J.N. Schilder
Mob. 06 53586287
Flevoweg 85 29
8264 PA  Kampen

Email: psychomedisch@gmail.com
Anderhalf jaar na zijn pensioen werd meneer van Henken ziek. Er bleek uiteindelijk sprake van non Hodgkin lymfomen (‘lymfeklierkanker’). In het begin was aan een ander soort kanker gedacht en men meende dat behandeling onmogelijk was. Meneer werd naar huis gestuurd om te sterven. Omdat meneer van Henken uit de generatie was, die medisch advies trouw opvolgde, was hij op bed gaan liggen, wachtte de dood af; en vroeg om de ‘laatste bediening’.

Dit was wel bijzonder. Meneer van Henken had vijfentwintig jaar daarvoor gebroken met de kerk. Dat was na de dood van zijn eerste vrouw. Hij was zelf weliswaar erg gelovig, maar zijn vrouw was dat niet en toen ze stierf mocht ze van de kerk niet in de ‘heilige grond’ begraven worden. Dat was een slag in het gezicht van meneer van Henken geweest. Hij had toen met de kerk gebroken. Nu de dood naderde, vroeg hij echter toch om ‘het sacrament der stervenden’. De pater kwam, bediende, en bleef wekelijks komen. Hij was een hartelijke en goedmoedige man. Hij praatte met de patiënt over "ditjes of datjes (--) over 't leven zelf, hè". Meneer van Henken zei dat pater hem "steunde", hem steeds voor zijn vertrek "de zegen gaf en dat 'ie dan even met me ging bidden, hè, dat gaf je weer meer een kick hè". Geleidelijk herstelde de oude breuk tussen de patiënt en de kerk.
Maar er gebeurde nog iets: na de bediening van het sacrament, kreeg meneer van Henken door de weeks last van visioenen en wanen. Deze zetten hem aan tot onvriendelijk, assertief en veeleisend gedrag. Zo verbood hij anderen de krant te lezen omdat hij het geritsel van het papier niet kon verdragen.

Voor zijn gevoel heeft zich dit buiten zijn verantwoordelijkheid afgespeeld. Hij spreekt over dit gedrag alsof hij er pas naderhand van anderen over hoorde: "Ik heb wel gehoord van me' zuster ook dat ik niet makkelijk was (--) maar niet bewust (--) niet bewust hoor". En "Onvriendelijk was ik; ten minste wat mij gezegd werd". Tijdens de interviews viel op dat meneer van Henken bij deze episodes bijna verlegen had gekeken, en wat 'stout' en lacherig, alsof hij het eigenlijk wel best had gevonden dat hij had gedaan zoals hij deed.
Hij vertelde ook over dit gedrag met een directheid die suggereert dat hij zich zijn gedrag precies herinnert. Bijvoorbeeld: "Ik zeg: wees nou toch eens stil, dat geschreeuw". In de wanen dacht hij ook dat er "Duitsers in huis waren" of dat er werd gegokt om hem heen. In de tweede wereldoorlog had hij vlak "bij de bombardementen" gewoond en: "Je had allemaal hekel aan Duitsers". Op zijn latere werk had hij als chef ondergeschikten moeten verbieden te gokken.

In de periode rondom de eerste bediening had de patiënt een koortspiek gehad. In de daaropvolgende drie maanden -waarin hij schommelde tussen rust en tevredenheid na de bezoeken van de pater, en het onvriendelijke, veeleisende gedrag- verslechterde zijn conditie en nam zijn gewicht verder af van 71 tot 45 kg. In deze periode ontving hij voor de tweede keer de laatste bediening. Geleidelijk nam meneer van Henken zich voor dat als hij zou genezen, hij zijn band met de kerk niet weer zou laten breken. Voorzover kon worden achterhaald gebeurde dit nadat de wanen en het meest veeleisende gedrag hadden afgenomen. Eveneens waren er momenten geweest waarop hij verlangde dood te gaan, afgewisseld met momenten waarop hij verlangde te kunnen werken. Hij kreeg een tweede koortspiek, produceerde een dag later heel veel ontlasting en vroeg toen om een haring. Hij herstelde en kwam in drie maanden terug op zijn oude gewicht.
Na zijn herstel moest meneer van Henken weer leren lopen. In het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis werden de preparaten die eerder waren afgenomen, opnnieuw onderzocht. Daaruit bleek dat meneer van Henken aan non-Hodgkin lymfoom had geleden. Toen ik hem sprak, was hij ruim tien jaar ziektevrij. Hij hield zijn belofte en zei wekelijks in de kerk iets te beleven wat hij niet in woorden kan uitdrukken.

Wanneer je kijkt naar spontane regressies, dan valt op dat het herstel begint nadat de patiënt toegang krijgt tot een wezenlijke activiteit of beleving; tot iets wat voor hem of haar echt belangrijk is. Hier ging het om een religieuze herverbinding'; eigenlijk een pleonasme, omdat religie letterlijk herverbinding betekent; van het latijnse 're-ligare'; ligare is binden, zoals in een ligatuur.  Maar liever een pleonasme dan een neoplasme.
 
Wanneer bij een onverklaarbare genezing religieuze elementen een rol spelen, spreek je van wondergenezingen. Bij meneer van Henken was de ‘wezenlijke activiteit’ verbonden met zijn christelijke geloof: door Jezus  verbonden met God, YHWH, de God van Israel. Daarmee komt deze ‘spontane regressie van kanker’ in de buurt van een wondergenezing. Dit eens te meer gelet op de rol van gebed en zegen en de waarde die deze voor meneer hadden. Aan de andere kant gaat het, in gewone psychologische termen, ook om een psychosociaal herstel.

De japanner Ikemi zag in zijn onderzoek dat mensen vóór hun opvallende herstel, een leven hadden gekregen zoals zij zich dat eigenlijk altijd hadden gewenst. De amerikanen Roud en Weinstock beschrijven vergelijkbare processen. Het is alsof bepaalde kanten van iemand weer mee gaan doen in het bewuste leven van alledag; met alle autonomie en persoonlijke kracht, gevoelens, verlangens, wil en behoeften die daar bij horen; ook onverwerkte gevoelens. Een van de eerste artikelen van Marco de Vries in Medisch Contact was ‘Crisis en transformatie’. Beide zien we hier terug.